Schultes

Schultes van het schuldambt Norg

Schultes

Zoals reeds gezegd omvatte het schultambt Norch het kerspel Norch, Zuidvelde en Westervelde, Langelo, Een, Peest en Veenhuizen. In 1802 werd de schulte ook aangesteld over Vries, zonder dat van samensmelting der beide schuitambten blijkt.

De naam "schulte" komt reeds voor in een oorkonde van 1395-1396, waarin de Heer van Coevorden ook wel "Sculte te Coevorden" wordt genoemd. Eerst tijdens de regering van bisschop Frederik van Blankenheim (landheer van Drenthe van 1395 tot zijn dood 1423), wordt gewag gemaakt van "de schulten en de bannerschulten der Drentse kerspelen", die hunne aanstelling van de bisschop zeiven ontvingen, terwijl de onderschulte of verwalter, bij ontstentenis van de schulte, optrad krachtens aanstelling van de Etstoel. Die van Vries is bannerschulte over het Dingspel van Noordenveld.

Toen na de dood van Hendrik Kasimier in 1696 het erfstadhouderschap door Prins Willem III was aanvaard, kwam de keuze der schultes aan Ridderschap en Eigenerf den, met behoud overigens der regeling van 1621, volgens welke de Drost keuze had. Dat dezelfde gang van zaken werd gevolgd gedurende het stadhouderloze tijdperk, ingetreden na de dood van Willem III, spreekt vanzelf. Alleen reikten bij ontstentenis van een stadhouder, Drost en Gedeputeerden de commissiën uit.

Op 29 april vergaderden Ridderschap en Eigenerfden voor de laatste maal onder de blote hemel in het Grollerholt. Het was een niet onbelangrijke vergadering, want het stadhouderschap over het landschap Drenthe, dat op de 16e juni 1676 aan prins Willem III was toegezegd, bij overlijden van Graaf Hendrik Casemir van Nassau, werd erfelijk verklaard. (Drentsche en Asser Courant 29 april 1948.)

In 1730, toen Willem IV het stadhouderschap had aanvaard, verkreeg ook hij het recht tot aanstelling der Drentse schultes, een recht, hem reeds voorlopig in 1721 , tijdens zijn minderjarigheid, toegekend. Den 25-ste april 1748 tot erfstadhouder benoemd, bleef men, wat zijn bevoegdheid in zake van aanstelling der schultes betreft, bij de regeling van 1696: voordracht door Drost en Gedep. van drie personen, benoeming door Ridderschap en Eigenerfden, commissie af te geven door de stadhouder, eedsaflegging in handen van Z.D.H. zelven, of van daartoe door hem gecommitteerden. Zo bleef het ook onder het bestuur van de gouvernante, prinses Anna ( 1751-1763 ).

Na haar overlijden ontvingen de schultes hunne commissie namens Willem V. In vele kerspelen had men ook onderschulten. Voor 1600 schijnen de Etten ze te hebben benoemd; zij bepaalden althans in 1648 dat "de schulte van Deveren (Diever) zal hebben ene onderschulte". Wat de vereisten van het ambt betreft, men moest in Drenthe geboren zijn, althans er een vaste woonplaats hebben. Een enkele maal, vooràl onder de Gelderse hertogen, werd daarvan afgeweken. Veelal moest men ook Eigenerfde zijn, d.w.z. grondbezitter en de hervormde leer belijden. De schulte was opgedragen het verrichten van aan- en uitpandingen van schulden, terwijl hij de ingezetenen, bepaaldelijk hen die beslissing wensten van geschillen, opriep tot het "ding" en de "goorsprake" en er de zaken aanbracht.

In minder belangrijke zaken werden "rochten" gehouden door de schulte, in vereniging van keurnoten. Tevens moest hij zorgen voor de veiligheid, rust en orde, wangedrag enz. waarbij hem de kerspelsoldaat moest bijstaan. Iedere rechtshandeling van de schulte moest op zich zelve worden betaald. Als schultes voor Norch en Veenhuizen fungeerden: (N.D.V. 1910)

1. Bartholt Knassen, plm. 1491.

2. Harmen van Pietershagen (ook schulte van Eelde).

3. Herman Wessel.

4. Johan Kiers, 1608.

5. Hendrik Jobs, 1617.

6. Johan Hendricx, 27 maart 1626 en 20 mei 1643 genoemd.

7. Wijnholt Hendricx, 23 september 1644 en 18 april 1660.

8. Hendrik Wijntiens, 19 september 1661. Overleed in begin 1714.

9. Josua Wijntiens, 20 maart 1714, aangesteld door Ridderschap en Eigenerfden. Commissie van Drost en Gedep. en eed 11 mei d.a.v. Overleden 1766.

10. Johannes Homan, 22 maart 1766, beëdigd 5 april d.a.v. Nog in functie op 14april 1795, overleden 10 december 1804 en begraven in de kerk te Vries. Hoewel hij bij zijn dood schulte was van Vries en Norg, vindt men hem niet vermeld onder Vries, omdat zijn benoeming aldaar dateert van na 1795. Hij werd 78 jaar. Wellicht is dit de laatste schulte van Norg geweest. Immers op 13 juli 1819 trad het reglement van het bestuur voor het platteland der provincie Drenthe, zoals deze bij Koninklijk Besluit van 14 november 1815, No. 68 in onderscheiden gemeenten is verdeeld en nader gearresteerd den 7 oktober 1818, No. 130, in werking.

"Geschiedenis én Historie welke waard zijn bewaard te worden voor ons nageslacht."
- Historische Vereniging Norch