Coöperatieve Zuivelfabriek Norg

Norger herinneringen

Coöperatieve Zuivelfabriek Norg
De zuivelfabriek aan de Eenerstraat voor de Eerste Wereldoorlog.

In het heideveld en aan de toenmalige zandweg naar Een, werd in 1895 de 'Coöperatieve Handkracht Zuivelfabriek Norg' opgericht. De naam zegt het al, de fabriek werd met handkracht bediend, maar dat duurde niet lang want in 1900 werd overgegaan op aandrijving door stoom.

In 1915 wordt de simpele schoorsteenpijp vervangen door een stenen terwijl er een grotere stoomketel wordt geplaatst waarna vier jaar later de fabriek wordt uitgebreid. Nadat eind jaren dertig weer een uitbreiding plaats vindt wordt in 1952 het gehele voorste gedeelte van de fabriek vernieuwd. In de tussentijd waren zowel de kaas als ook de boter uit de Norger fabriek in geheel Europa een begrip geworden en werden in grote hoeveelheden geproduceerd en geëxporteerd. In de daaropvolgende jaren wordt de 'melkfabriek' zoals het bedrijf door de Norgers wordt genoemd steeds verder uitgebreid en gemoderniseerd en er komt een handel in brandstoffen en op een later tijdstip ook veevoer bij.

Ook werd er op het terrein van de fabriek een diepvrieshuis gebouwd door een Coöp. Vereniging waarvan de inwoners een kluis konden huren om hun vlees, groenten, enz. te kunnen opslaan. Men had in die tijd immers nog geen diepvrieskisten voor huishoudelijk gebruik. Het Norger roomijs dat onder de naam 'Roomijs Norg' in staven aan de 'ijsco man' werd geleverd was intussen al vanaf 1933 een begrip in heel Noord-Nederland.

Fabriek 1919
In 1919 wordt een grote verbouwing doorgevoerd en wordt ook de eenvoudige ijzeren schoorsteen vervangen door een stenen exemplaar.

Op 3 februari 1895 had ten huize van de logementhouder L. Hoff een vergadering plaats van belangstellenden in 't oprichten van een boterfabriek met handkracht. Vele belangstellenden waren opgekomen. 't Voorlopig bestuur had de statuten ontworpen, naar een plaats uitgezien enz., welke plannen alle werden aangenomen. Hierop werd een lijst gepresenteerd voor 't nemen van aandelen. 57 leden traden toe. 't Gevraagde aantal, hoewel later aangevuld, werd niet geheel bereikt. Het definitieve bestuur werd daarop benoemd, bestaande uit de heren Tonckens, Punter, Hoff, Oortwijn en Egberts. (Prov. Dr. en Asser Courant van 5 februari 1895.) Als directeur werd aangesteld de eerste botermaker Ebbinge. In 1897 werd deze opgevolgd door T. Auwema te Norg.

De melk werd elke morgen per melkwagen van de boerderijen naar de fabriek vervoerd. Daar de melk eerst per liter en later per kg werd uitbetaald en niet naar vetgehalte, kwam het nog wel eens voor dat een boer er water aan had toegevoegd, om het kwantum te verhogen. Enkele jaren later werd een laboratorium bijgebouwd en het vetgehalte eens in de 14 dagen vastgesteld. In een groot bassin werden de melkbussen van elke boer apart leeggestort en een monster getrokken, waaruit het vetgehalte werd onderzocht. Elke boer had een eigen nummer op de melkbussen. Het melkgeld werd door de melkmenners meegenomen in gesloten papieren zakjes en op de melkbussen gelegd. De ondermelk en karnemelk ontving de boer terug om op te voeren aan de varkens of kalveren.

In 1917 besloot men van handkracht over te gaan op stoomkracht en werd een stoommachine aangeschaft. In dat jaar verrees dus in Norg de eerste en tot dusver enige fabriekspijp . Op een ledenvergadering van 8 september in dat jaar besloot men de naam te wijzigen in "Coöp. Stoomzuivelfabriek Norg" te Norg. Eerste machinist was E. ten Hoor uit Norg, in mei 1932 opgevolgd door U. Zuideveld. In 1917 werd directeur Auwema opgevolgd door de heer H. Boverhof, eerder assistent directeur aan de zuivelfabriek te Ruinerwold.

In 1918 begon men met de bereiding van caseïne. In 1920 brak in ons land en ook in Norg in erge mate mond- en klauwzeer uit onder het vee. Deze ziekte eiste veel slachtoffers onder het rundvee. In 1928 werd met kaasmaken begonnen. De controlevereniging werd in 1924 opgericht, tengevolgde waarvan alle geboren vaarskalveren van de aangesloten leden werden geschetst. In 1960 werd op het bedrijf van S. Ensing te Westervelde het 10.000 ste kalf geschetst. In 1950 nam de heer Boverhof afscheid als directeur en werd de heer A. Rijks uit Norg benoemd. In 1971 werd deze opgevolgd door de heer M. Lubbinge (eerder directeur van de zuivelfabriek te Uffelte), tot dusver nog fungerend als directeur.

Na afwegen van het pro en contra ten opzichte van het voortbestaan van de korenmolens in Norg werd, na reeds eerder gedane en verworpen voorstellen, in 1958 besloten een malerij op te richten. Enkele jaren daarna, in 1960 besloot men tot het verbouwen van de oude kaasmakerij tot een moderne kaasmakerij, n.l. met hangende zolder. In 1968 kwam de vraag, al of niet aansluiten bij de gemeenschappelijke exploitatie D.O.M.O. te Beilen. Na een rumoerige ledenvergadering werd daartoe besloten. Dit hield in, dat de fabriek plus bijgebouwen overgenomen werden door de DOMO. Hierdoor gaf men zijn zelfstandigheid prijs.

Sluiting 1977
Jans Stevens was de melkrijder die de laatste wagen vol melkbussen bij de fabriek aan de Eenerstraat afleverde.

In 1969 werd hier en daar in Drenthe al begonnen met melken in melktanks. Om de vervoerskosten te drukken, reden reeds grote tankauto's de melk naar de DOMO in Beilen. De eerste melktanks in Norg werden in 1970 geplaatst op de bedrijven van de heren W. Stevens en R. Lunsche in de Roeghoorns te Norg. Door het DOMO-bestuur werd in overleg met de plaatselijke besturen besloten tot het opstellen van het zgn. tank-melkplan, het welk beoogde, dat alle veehouders voor 1980 dienen over te schakelen op tankmelken. Dit plan stuitte voor de kleine veehouders nog al op grote bezwaren, omdat de investering voor deze categorie veehouders niet verantwoord werd geacht. Schaalvergroting vond op alle fronten plaats. Omdat het voor een kleine fabriek niet verantwoord was de nodige investering voor de moderne mechanische werkmethode te doen, werd op economische gronden besloten de Coöperatieve Zuivelfabriek Norg op 27 mei 1977 officieel te sluiten. Voor het personeel was plaatsing mogelijk in Roden, Marurn en Groningen. Oudere werknemers vielen onder de afvloeiing-regeling.

"Geschiedenis én Historie welke waard zijn bewaard te worden voor ons nageslacht."
- Historische Vereniging Norch